In mijn ogen is het vrijwel wet dat kroonprinsen in bedrijven nooit de opvolger worden. Als je de reden zoekt, dan blijkt deze uiteindelijk zo vanzelfsprekend dat het onvoorstelbaar is dat je ´m niet eerder zag. De reden ligt in slecht leiderschap.
Een topman die een kroonprins heeft gekweekt moet wel een matig leider zijn. De laatste wens die hij met zijn vertrek gehonoreerd wil zien wordt genegeerd. Niet de kroonprins wordt de nieuwe topman, maar een ander. Het is alsof er gewacht is op zijn vertrek om een nieuwe frisse wind te laten waaien. De baas was niet, niet meer of nooit erkend als leider. Zijn wens is niet verhoord. Door de
macht van zijn positie heeft de topman overleefd. Met zijn vertrek valt ook die macht weg. Anderen beslissen over zijn opvolging. Zijn beoogde opvolger wordt het niet. Dit is de eerste indicatie dat hij in leiderschap min of meer gefaald heeft. Zijn wil en advies worden niet gevolgd. De kroonprins sneuvelt.

Van de kroonprins kan en mag worden verwacht dat deze het beleid van zijn voorganger voort zal zetten. Het feit dat er bewust voor een ander wordt gekozen wijst er op dat bewust voor nieuw beleid wordt gekozen. Het beleid van de vorige topman wordt dus niet voortgezet. De wil daartoe ontbreekt niet alleen, nee, er is een wil tot verandering. Dit is de tweede indicatie dat het de vorige topman aan leiderschap ontbrak.
Misschien is het bestaan van een kroonprins wel de derde indicatie voor gebrekkig leiderschap. Immers als je jouw erfenis wilt veilig stellen door een vazal naar voren te schuiven geef je ook aan dat je niet vertrouwt op de veiligheid van jouw erfenis. De erfenis ontbeert bescherming, beschermvrouwen en beschermheren. De erfenis is niet veilig omdat ze niet of zelfs nooit als goed, positief of verstandig is erkend. Het introduceren van een kroonprins is dan een wanhopig gebaar van een gemankeerde leider om toch zijn ideeën veilig te stellen. Het is bepaald geen teken van kracht.

Wanneer een leider een kroonprins promoot of wanneer er anderszins sprake is van protegees moet dit worden uitgelegd als een teken van zwak leiderschap.

Als we deze gedachtelijn doortrekken naar andere wisselingen in de top zijn aardige conclusies te trekken. Ook waar geen kroonprinsen zijn benoemd is vaak sprake van roerige machtswisselingen. Vaak is sprake van heftige koerswijzigingen. Ook weer een teken dat het vorige leiderschap weinig erkenning heeft verworven. Of de nieuwe leider wel sterk is moet nog worden afgewacht. Koerswijzigingen kunnen ook worden ingezet vanuit de menselijke behoefte een stempel op het werk te drukken. De wijziging van koers kan zelfs alleen hierdoor worden ingegeven. Ook  topmannen willen soms alleen maar een “tag” achterlaten.

Daartegenover staan de rustige wisselingen van leiderschap. Bij sommige concerns gebeurt dat vrijwel ongemerkt. In de pers worden de nieuwe leiders dan al snel als kleurloos afgeschilderd. De pers wacht kennelijk op erupties. Alsof die horen bij een wisseling van de wacht!
Het rustig wijzigen van de top zou er op kunnen wijzen dat het leiderschap stevig is gezeteld, dat de vorige topman erkend werd als leider en dat de nieuwe dat ook wordt. Dat deze het leiderschap bestendigt.
Hier is nog een kritische noot bij te plaatsen.
Waar sprake is van bestendiging kan ook de vraag worden gesteld of er niet teveel voor beheer en management wordt gekozen in plaats van voor leiderschap en voortdurende verandering.

4 augustus 2001, Anglès

 

Nagekomen noot 20 juli 2009: Jim Collins wijst er in zijn Good to Great op dat egocentrische leiders hun opvolging bewust slecht regelen. Dit vanuit de hoop dat zij daardoor meer gemist zullen worden. Collins onderscheidt daarnaast de niveau-5 leiders die juist wel voor goede opvolging zorgen. Bij het laatste type leiders lijkt de leider zelf minder belangrijk. 

Nagekomen Noot d.d. 25 augustus 2013. K.R. Popper zegt in zijn The Open Society and its enemies het volgende:
The demands of military discipline enhance the difficulties discussed, and the methods of military advancement are such that those who do dare to think for themselves are usually eliminated. Nothing is less true, as far as intellectual initiative is concerned, than the idea that those who are good in obeying will also be good in commanding.

Collins J., Good to Great

Good to GreatDit boek op Managementboek.nl en op bol.com