Ik heb al eerder gewezen op het gevaar van overmatig streven naar efficiency (lees: Het gevaar van efficiency). COVID-19 drukt ons met de neus op de feiten. Er treedt een grote gezondheidscrisis op, en we hebben al snel een dreigend tekort aan mondkapjes, beschermende kleding en desinfectiemiddelen. Dit lijken toch zaken waar een land strategische voorraden van zou moeten hebben. Maar... die hebben we niet, klaarblijkelijk.

Helaas, niets aan toe te voegen!

Ik heb een allergie voor dwingende procedures, bureaucratie en schema’s met taken en verantwoordelijkheden (RASCI, PRACI, e.d. genaamd). Als ik een projectplan, of ander document moet opstellen in een dwingend format, dat mij eigenlijk niet lekker past, dan moet ik een lichte weerzin overwinnen om me ertoe aan te zetten.

Ooit hoorde ik een manager vertellen dat hij er trots op was dat zijn organisatie en met name het management daarvan, in staat was snel bij te sturen als er iets mis ging. Er werd geleerd van fouten. De manager noemde ook een voorbeeld. Dat ging over een project waarbij de kosten over de kop gingen door de onverwacht slechte bodemgesteldheid.

Meten is weten. Dat hebben we allemaal geleerd. En voor heel veel zaken gaat dat ook op. In organisaties is dat echter enigszins geperverteerd. De aandacht is zodanig op meten komen te liggen, dat er teveel aandacht naar meten uitgaat. Doordat die aandacht er is, gaat er vooral aandacht uit naar dingen die meetbaar zijn. Niet meetbare zaken worden buiten beschouwing gelaten. Daar kan je namelijk niets mee, vanuit het meet-perspectief. En dat heeft soms ernstige gevolgen.